Leeftijdsaangepast BokRobot-boek
Het Proces voor 10 jaar
Der Prozess: Roman
Franz Kafka
15 pagina's · 2.357 woorden
Op zijn dertigste verjaardag werd Josef K. wakker in een kamer die anders aanvoelde. Het ochtendlicht viel door het raam, maar het leek niet helder. Het was alsof de zonnestralen aarzelden om binnen te komen. Alles was stil. Normaal gesproken bracht Anna, de meid, om acht uur het ontbijt. Maar vandaag kwam ze niet. In plaats daarvan stonden twee mannen naast zijn bed. Ze droegen oude, zwarte pakken die eruitzagen alsof ze er de hele nacht in hadden geslapen. Hun gezichten waren rustig en beleefd. Het leek alsof ze hem wilden herinneren aan iets dat hij vergeten was. 'U bent gearresteerd,' zeiden ze. Ze lieten geen papieren of handboeien zien. Ze gingen gewoon aan zijn tafel zitten, aten zijn ontbijt op en dronken zijn koffie. Ze kauwden langzaam. Josef vroeg waarvoor hij beschuldigd werd. Ze antwoordden dat ze alleen bewakers waren en dat zulke vragen niet voor hen waren. Het klonk alsof de wet een huis was waar zij woonden, en Josef stond buiten in de regen. Vanuit het raam van het huis aan de overkant keek een oude vrouw naar beneden. Ze bewoog niet. Het leek een toneelstuk. Alsof het niet echt zijn leven was.
De twee mannen namen Josef mee naar de kamer van juffrouw Bürstner, zijn buurvrouw. Daar zat een opzichter achter een klein nachtkastje dat als bureau diende. Drie jonge mannen van de bank waar Josef werkte, stonden langs de muur. Ze keken toe alsof ze deel uitmaakten van iets groters. De opzichter was een zacht pratende man met kleine ogen. Hij zei dat Josef gearresteerd was, maar dat hij gewoon naar zijn werk kon gaan. Hij moest alleen komen wanneer de rechtbank hem opriep. Waarvoor hij beschuldigd werd, zei hij niet. Hij sprak beleefd en kalm, alsof hij hetzelfde al honderd keer had gezegd. Josef dacht eraan een machtige vriend te bellen, maar hij deed het niet. Hij stak zijn hand uit om een einde te maken aan het gesprek. De opzichter schudde vriendelijk zijn hoofd. Alles was al in gang gezet, zei hij. Josef moest alleen komen wanneer de rechtbank riep. Zijn stem was zacht, maar hard als een muur.
Josef nam een taxi naar de bank. Buiten de ramen gleed de stad voorbij, maar hij zag haar niet. Hij voelde zich niet verslagen, eerder alsof hij niet klein wilde worden gemaakt. De werkdag verliep zoals altijd, maar de randen waren vals. Collega's groetten zoals gewoonlijk, maar hun blikken bleven langer hangen. 's Avonds ging hij naar zijn hospita, mevrouw Grubach, om te praten. Ze was vriendelijk en praktisch, alsof zo'n arrestatie niet gevaarlijk was. 'Dit is niet voor zakkenrollers,' zei ze. 'Het is voor geleerde mensen op kantoren.' Alsof alles daardoor veilig was. Toen ze een gemene opmerking maakte over juffrouw Bürstner, werd Josef ineens moedig. Hij verdedigde de juffrouw fel. Hij zei dat als de hospita een proper pension wilde, ze hem net zo goed kon opzeggen. De woorden maakten hem warm, maar losten niets op. Hij ging naar zijn kamer en staarde in het duister.
Josef besloot te wachten tot juffrouw Bürstner thuiskwam. Laat in de nacht hoorde hij voetstappen in de gang. Hij fluisterde haar naam in het donker. Ze schrok, maar liet hem binnen. Haar kamer was klein en netjes, met foto's aan de muur en een bloem op de vensterbank. Hij verontschuldigde zich voor de rommel die de rechtbank had gemaakt. Ze keek naar de foto's die verplaatst waren en vond het niet leuk. Toen Josef alles probeerde uit te leggen, werd er op de muur geklopt. Een kapitein in de kamer ernaast was komen wonen. De sfeer bevroor. Josef zei te veel en te zeker dat hij alles met de hospita kon regelen. Juffrouw Bürstner wilde dat hij wegging. Bij de deur gebeurde iets doms: hij hield haar vast en kuste haar plotseling, zonder te vragen. Een geluid uit de kamer ernaast joeg hen uit elkaar. Ze gaf hem haar hand zonder hem aan te kijken. Hij vertrok. Die nacht viel hij snel in slaap, maar de slaap was niet goed.
De dagen gingen voorbij alsof er niets was gebeurd. Josef ging naar zijn werk, at, praatte met collega's. Toen belde een rustige stem naar de bank. Eerste verhoor, zei de stem. Zondag. Een adres dat hij niet kende. Ze waren zorgzaam, zeiden ze: korte zittingen, vaak, om hem te ontzien. En zondag om het werk niet te storen. Zondag kwam. Josef ging naar een buurt waar hij nog nooit was geweest. Gevels die op elkaar leken, binnenplaatsen met wasgoed, geschreeuw en muziek. In het huis op het adres vond hij trappen zonder bordjes. Hij stoorde vreemden, vroeg naar een naam die hij eigenlijk niet mocht gebruiken. Plotseling stond hij in een kamer. De kamer was zo vol mensen dat de lucht bijna niet in te ademen was. De muren waren geel van vocht. Het rook naar hout en zweet.

Op een laag podium zat een kleine, dikke onderzoeksrechter achter een krakkemikkig tafeltje. Een jongen trok Josef naar voren door de menigte. 'U bent te laat,' zei de rechter. De helft van de zaal lachte. Josef wees hem terecht toen de rechter hem 'schildersbaas' noemde. Hij zei dat hij eerste procuratiehouder bij een bank was. Het lachen werd luider, maar niet vriendelijker. Josef voelde zijn gezicht warm worden. Toen begon hij te spreken. Hij vertelde over de ochtend thuis: de bewakers die zijn ontbijt opaten, de opzichter in juffrouw Bürstners kamer, de drie van de bank die stonden te kijken. Hij zei dat zulke dingen de naam van mensen kapotmaakten en dat het een toneelstuk was dat in het geheim werd opgevoerd. Zijn stem werd luider, maar niemand leek goed te luisteren. Ze staarden alleen maar.
Hij pakte een gekreukt schrift dat op tafel lag. 'Is dit mijn schuldboek?' vroeg hij. De rechter werd bijna rood en schikte het papier met een vinger. Josef eiste openheid. Als het toneel was, moesten ze het openlijk doen. Midden in zijn toespraak werd de zaal onrustig. In een hoek hield een man een schoonmaakster vast. Mensen fluisterden en lachten opgelucht. Josef wilde haar helpen, maar handen hielden hem tegen. Op hetzelfde moment zag hij kleine kentekens op de revers van velen in de zaal, in verschillende kleuren. Ze hoorden allemaal bij de rechtbank. Ieder een. Alsof de muren ogen hadden. Hij hief zijn armen en noemde ze stel verkleed om hem te bekijken. Hij pakte zijn hoed en drong door de deur naar buiten, de koele gang in.
De dag erna kwam hij terug, zeker dat hij werd verwacht. Hij werd naar een andere kamer verwezen. De aanklager was ziek, zeiden ze. Een rechter-plaatsvervanger stond in zijn plaats, met formele, voorzichtige vragen. 'Naam? Josef K. Wat nog? Weinig.' De zitting was slechts een voorproefje, zei de plaatsvervanger. Het echte kwam later. Josef vertrok. De zondagen gingen voorbij zonder oproep. Toch ging hij terug naar het huis. De kamer was opgeruimd. Op het podium lagen een paar boeken van de rechter. De vrouw van de bode zei beslist dat Josef ze niet mocht zien. Hij keek toch. Het waren vuile prenten en een simpele roman. 'Zijn dit jullie wetboeken?' zei hij droog. Ze keek weg en antwoordde niet.
De vrouw kwam dichterbij. Ze fluisterde dat hij haar een beetje kon helpen, misschien ook haar man. Josef zei dat hij niemand wilde omkopen. Plotseling stond de student in de deur, klein en roodbaardig. Hij hief een vinger en de vrouw liep met hem mee, zonder Josef aan te kijken. De student droeg haar een smalle trap op. Op een briefje stond: 'Ingang naar de griffie'. Josef volgde meer met zijn hart dan met zijn benen. Hij voelde een vleugje opluchting bij de gedachte dat de hele rechtbank misschien onder een verrotte zolder lag, ver van de zon. De geur van stof en rot werd sterker naarmate hij hoger kwam.
In de zoldergang zaten twee rijen beklaagden op banken, hun hoeden onder zich. Sommigen praatten zacht, sommigen staarden leeg. Telkens als iemand werd aangeraakt, klonk er een scherpe gil uit een andere kamer. Alsof het hele gebouw knikte en zei: 'Ja, zo is het hier.' De lucht was dik en warm. Een strenge kantoormeisgaf Josef een stoel en droogde zijn handen met een handdoek. Een stijve heer die zich 'voorlichter' noemde, begeleidde hem naar buiten. Josef liep als een medespeler door krappe kamers vol vreemde geuren. Zijn lichaam voelde plotseling alsof het meer bij deze gang hoorde dan bij hemzelf. Hij voelde zich kleiner worden bij elke stap.

Thuis in het pension probeerde hij met juffrouw Bürstner te praten. Het was te laat. Een vriendin, de Franse lerares Montag, woonde nu bij haar en zei met beleefde, stijve woorden dat een gesprek niet nodig was. Kapitein Lanz stond ernaast en gaf handkusjes die hen samenbond in een beleefde alliantie. Josef ging de oude kamer van de juffrouw binnen en zag twee bedden, open kasten, stapels linnengoed. Een ander huishouden was in zijn plaats getrokken. Toen hij zich omdraaide, stonden Montag en de kapitein in de deur en volgden hem met kleine blikken die ze achter praatjes verborgen. Josef voelde zich buitengesloten, alsof hij al vergeten was.
Op een avond in de gang van de bank hoorde hij geschreeuw uit een bezemkast. Hij opende de deur. Binnen stonden de twee bewakers van die eerste ochtend, en een geselaar. De bewakers huilden dat ze gestraft werden omdat Josef over hen had geklaagd. Josef zei dat hij alleen de waarheid had verteld. De geselaar wilde niet luisteren. Josef probeerde hem heimelijk geld te geven om te stoppen, maar de man was bang om aangegeven te worden. Toen vielen de slagen. Het geschreeuw was metaalachtig, alsof het niet van een mens kwam. Josef smeet de deur dicht, loog tegen voorbijgangers dat een hond lawaai had gemaakt, en bleef bij een raam staan om op adem te komen. Zijn hart bonsde hard en hij voelde een brok in zijn keel.
Op een dag stormde zijn oom zijn kantoor binnen. Hij was rood aangelopen van ongerustheid. Zijn nicht Erna had over het proces gehoord. Hij schaamde zich en was boos. Er moest iets gebeuren. Hij nam Josef mee in een taxi naar een advocaat, een oude schoolvriend genaamd Huld. Een dienstmeisje, Leni, deed open. Ze was mollig en had warme ogen. Ze regelde hen alsof ze kinderen waren die ze goed kende. De advocaat lag in bed, ziek, met de deken over zijn benen. In de schaduw zat een heel belangrijke man van de griffie, stil en machtig. De oom werd zacht en behulpzaam. Hij verschoof lampen, bood water aan en veegde zweet weg. Josef stond aan de zijkant en voelde zich vlak, alsof hij niet langer de hoofdpersoon was in zijn eigen leven.
Een klein gerinkel in de voorkamer deed hem naar buiten gaan. Daar nam Leni zijn hand en trok hem mee naar een werkkamer. Ze keek naar hem alsof ze hem al uit een menigte had uitgekozen. Ze fluisterde dat in deze rechtbank een bekentenis het enige was dat hielp, en dat vreemde hulp, zoals die van haar, hem kon redden. Ze liet hem een klein gebrek aan haar hand zien: twee vingers stonden dichter bij elkaar dan normaal. Ze schaamde zich niet. Ze kwam zo dicht bij hem dat alles buiten de kamer stil werd. Josef voelde zich zowel getroost als gevangen. Hij wist niet of hij haar vertrouwde, maar haar stem was zacht als een deken. Buiten regende het. Toen ze naar buiten kwamen, was zijn oom woedend. Hij zei dat Josef gek was om zich liever door een dienstmeisje te laten leiden dan te buigen voor machtige mannen. Josef antwoordde niets wat hij echt meende.
De zomer werd late herfst. Josef merkte hoe hij de hele tijd in het proces zat, als in een lucht die zich niet liet verversen. Hij belde soms naar machtige mensen, maar de telefoon bereikte nooit helemaal. Hij dacht eraan zich terug te trekken uit alles, maar vond niets daarbuiten. Hij vertrouwde de verkeerde mensen op het verkeerde moment, en de juiste mensen verdwenen wanneer hij hen nodig had. Hij begon meer dan eens aan een verweerschrift, maar de woorden kwamen niet in de richting die de rechtbank volgde. Overal was de toon mild en ondoordringbaar: 'U bent gearresteerd, maar vrij. U bent vrij, maar gearresteerd.' Op een avond, vlak voor zijn volgende verjaardag, kwamen twee heren in een lange jas en hoed zijn kamer binnen. Ze waren bleek, maar knap, als pas gepoetste schoenen. 'Zijn jullie acteurs?' vroeg Josef. Ze antwoordden niet. Ze namen hem bij de arm in de trap, alsof ze hem wilden helpen. Buiten op straat liepen ze als één. Zijn voeten bewogen bijna vanzelf. Ze liepen door de stille straten naar een steengroeve aan de rand van de stad. Daar legden ze hem op de grond. Een van hen boog zich over hem heen met een lang dun mes. 'Zoals een hond,' zei Josef. 'Zoals een hond.' Het mes gleed in zijn hart en Josef K. stierf. Zijn laatste gedachte was dat zijn schande hem zou overleven.